Scheveningen

De landing van de prins, de latere Willem I, in Scheveningen in 1813 was belangrijk, omdat het wordt gezien als de grondlegging van het Koninkrijk der Nederlanden. De bloemetjesdracht komt nu in de mode. Hieronder de zondagse muts

Kenmerkend voor de periode na de bezetting is de schoemantel van zwarte wol met een rode, baaien voering.

De hoge taille en lage hals veranderde later in een hooggesloten hals en vissersvrouwen droegen daarover een diagonaal omgeslagen doek in bonte ruiten – de oude daagse dracht:

De Turkse doek verscheen in de jaren 1830 en had een exotische uitstraling – voor op zondag. Typisch Schevenings, herkomst onbekend. Ook toen werd het hoofdijzer langer en kreeg het een afhangende muts.

Na 1850 werden de gouden boeken steeds vaker ovaal en hoger met filigrein en cantillewerk. Eind 19e eeuw reikten de doeken tot aan de elleboog, kregen ze franjes en waren ze hoog dichtgespeld.

Vishoed met luifel van visverkoopster in de 19e eeuw. Voor die tijd waren de vishoeden groot en plat, gevoerd met het dikke sits, waardoor visvocht werd tegengehouden. Vrouwen met grote manden op hun hoofd liepen naar Den Haag om hun vis te verkopen. In 1600 was Scheveningen al een bloeiende vissersplaats en de visexport nam een vlucht na de aanleg van de Scheveningse weg in 1665.

Het typisch Scheveningse hipje om het achterwerk voller te laten lijken. Het zwarte schort heeft een wit randje, de negge. Het werkshort had 9×8 plooien.

Vanaf 1900 werd de Scheveningse dracht steeds donkerder. In de kleding was terug te zien dat er veel werd gerouwd om geliefden die op zee waren gebleven. Alle kleding werd dan zwart geverfd. Er golden hier strikte regels voor rouw, halve rouw (zwart met patronen) en afrouw (grijs). Met de oprichting van het vissersvrouwenkoor in 1954 werd er weer een eigen draai gegeven aan de traditionele dracht. Er werd gekozen voor pasteltinten in de kleur van de zee, lucht en het zand.